Het feit dat je bestaat is een gegeven. Ook weet je zeker dat je een keer zult gaan sterven. In dit artikel worden er verschillende perspectieven op de dood besproken. Daarnaast gaat het ook in op hoe we met de dood om moeten gaan. Het is verrassend hoe nadenken over de dood zin geeft om te leven. 

Door Ismar Jugo 

Iedere zomer ga ik naar de stad Mostar in Bosnië & Herzegovina. Mijn vader komt hier vandaan, ik spreek de taal en ik heb er een paar vrienden- om wat redenen te noemen. De meeste mensen weten dat er een vreselijke oorlog woedde in de jaren negentig van de vorige eeuw. Veel oudere mensen die ik uit Mostar ken hebben gevochten in dezelfde straten waar ze nu een kopje koffie drinken. Zij hebben dichter bij de dood gestaan dan wie dan ook die ik ken. Een van mijn vaders vrienden, een kolonel ten tijde van de oorlog, kwam een keer naast mij staan toen ik pas dertien was. Hij vroeg: “Wat is het enige dat je als mens zeker kunt weten?”  Verrast door de onverwachte, filosofische vraag, antwoordde ik stamelend maar bijdehand: “Dat jij dit nu net tegen mij hebt gezegd?” Hij lachte en schudde zijn hoofd. “Het enige wat je zeker weet als mens, over jezelf en alle mensen om je heen,” sprak hij nu op een kalme toon, “is dat jij, en iedereen hier, zal sterven.” Dit was voor het eerst dat ik me bewust werd van de dood. 

Het noodlot; daar ontkomen we niet aan. Maar door op verschillende momenten en in verschillende culturen geboren te zijn ontkomen we wel aan verschillende wijzen waarop het noodlot wordt geïnterpreteerd.  In dit essay zal ik aan de hand van de Nederlandse filosoof Jos de Mul, vier Westerse omgangsvormen met het noodlot uiteenzetten: de heroïsche affirmatie, de deemoedige acceptatie, de ‘afschaffing’ van het noodlot en de hedendaagse wedergeboorte van het tragische bewustzijn. Een goede omgang met de onvermijdelijke dood wordt niet alleen geboren door het bewustzijn ervan, maar ook door het bewustzijn van hoe we als mens met het noodlot om zijn gegaan en hoe we nu met het noodlot omgaan. 

Leven en sterven: tussen toeval een noodzaak  

Hoe langer je leeft, hoe meer mensen om je heen zullen sterven, en hoe dichter jijzelf bij de dood komt. Een vraag die ik mezelf nog nooit had gesteld is: waarom gaan we eigenlijk dood? Waarom kom ik hier, in het leven, met als enige zekerheid dat ik eens zal moeten vertrekken? De antwoorden die op deze vraag geformuleerd zijn, staan in nauw verband met de interpretatie van het noodlot binnen een cultuur.  

De Mul laat in zijn werk zien dat er in de Westerse traditie twee interpretaties zijn van het noodlot, die beide hun wortels vinden in de Klassiek Oudheid. Enerzijds is het noodlot vaak opgevat als iets dat noodzakelijk is wat het is. Deze interpretatie vindt zijn wortels in het atomisme van Democritus en de Stoïcijnse filosofie als in de Joods-Christelijke traditie. Er kan wel gezegd worden dat in deze interpretatie van het noodlot, ‘Athene’ en ‘Jeruzalem’ samenkomen. Athene representeert hier het Oudgriekse denken waar het geheel van de werkelijkheid wordt gezien als een verzameling van atomen die in een causaal gedetermineerde relatie staan tot elkaar. Alles wat er in het verleden is gebeurd, nu op dit moment gebeurt en in de toekomst kan gaan gebeuren, staat al vast. Het noodlot is dan een onafwendbare noodzakelijkheid. Jeruzalem geeft hierbij nog een theologische dimensie aan de opvatting dat het noodlot noodzakelijk is. God heeft in deze interpretatie de ‘voorzienigheid’, omdat de loop der gebeurtenissen zijn Goddelijk plan volgt. Een horlogemaker weet ook wat de volgende slag van de wijzer zal zijn. God kan dus iets zien voordat het gebeurt, oftewel: ‘voor’ ‘zien’. Voordat iets voor ons als eindige mensen verschijnt, weet God al wat er zal verschijnen. God wist al dat jij de Qualia ging lezen en weet nu al wanneer je zult sterven. Je bent slechts een tandwiel in God’s horloge. 

De andere interpretatie van het noodlot vindt eveneens zijn oorsprong in het denken van de Oude Grieken. Zowel Aristoteles als Epicurus meenden dat de werkelijkheid niet geheel causaal gedetermineerd is. In de natuurlijke verschijnselen vinden inderdaad veel regulariteiten plaats. En ja, je kunt op basis van die regulariteiten dingen voorspellen. Maar de natuur volgt niet altijd die regulariteiten, de natuur geeft ook blijk van spontaniteit. Er vinden spontane bewegingen plaats in de verschijningen die niet overeenkomen met het eerdere patroon die we vooralsnog hebben kunnen ontwarren. Dit noemen we het contingente noodlot: ons leven is zoals het is, maar het had net anders kunnen zijn dan dat het nu is. De opvatting van het contingente noodlot is vaker gebruikt om te pleiten voor een mate van wilsvrijheid bij de mens. Als alles causaal gedetermineerd is en wij mensen onderdeel zijn van dit alles, dan hebben wij geen vrije wil. Maar als niet alles vaststaat volgens een plan dan kunnen wij mensen onze eigen plannen maken. In deze interpretatie is ons bestaan een toevalligheid. Evenzo ons noodlottige toekomst. De dood is stom toeval.  

Deze twee tegenstrijdige interpretaties kunnen we nog steeds terugvinden in filosofische en wetenschappelijke debatten vandaag de dag. Bij sommige denkers lopen deze twee interpretaties door elkaar heen, waardoor die denkers tot andere conclusies komen over de aard van het noodlot. Zo menen sommigen dat radicale contingentie net zomin wilsvrijheid geeft aan de mens als een opvatting die meent dat alles causaal gedetermineerd is. In de mooie woorden van De Mul: “Het toeval kan door ons stervelingen nooit volledig worden voorzien.” Als alles toeval is, dan heb je net zo weinig controle over je leven als dat alles al vaststaat.  Controle vereist dus een mate van voorspellingskracht. Voordat je de dood kunt voorkomen moet je weten wat het zal veroorzaken.

Omgangsvormen met de dood

Het is misschien wel typerend voor de mens, die zichzelf filosoof noemt, dat hij niet eens tot het inzicht kan komen waarom hij sterft. Er zijn slechts verschillende interpretaties van het noodlot. Toch moet de filosoof waarheid en wenselijkheid gescheiden proberen te houden. Het niet-weten kan ongemakkelijk zijn maar voor iemand die de wijsheid begeert is de leugen ongemakkelijker. Het ongemak over de dood blijft. De Mul onderscheid vier manieren waarop er in de Westerse cultuur is omgegaan met de zekerheid van de dood en de daarbij horende ongemakkelijkheid. Hieronder zal ik vier omgangsvormen uiteenzetten. Dus blijf nog even leven. 

De eerste omgangsvorm met het noodlot die De Mul onderscheidt is de heroïsche affirmatie van het noodlot in de Oudgriekse cultuur. Het heroïsch affirmeren van het noodlot betekent dat je het noodlot geheel en al op je schouders neemt. De meeste mensen zijn bang voor het noodlot dat ons ieder ogenblik kan overkomen. We kunnen zelf sterven, iemand waarvan we houden zou kunnen sterven, of we kunnen iets verliezen waarvan we houden. Het menselijke geluk is kwetsbaar en vaak komt het pas na de schrik van het verlies. Ondanks al deze twijfel, onzekerheid en toeval, moet de mens het noodlot op heroïsche wijze affirmeren. Amor fati, zoals Nietzsche het al zei; heb je lot lief. De dood is een zekerheid maar leef zoals jij dat wilt binnen de grenzen die je zijn opgelegd. Dit is de tragische houding tegenover de dood. Het geheel en al accepteren van het noodlot vraagt veel van de mens. De Mul zegt hierover: “De klassieke tragedies tonen ons dat zelfs de meest hoogstaande helden niet, of tenminste niet voortdurend, in staat zijn het lot op de schouders te nemen zonder onder deze last te bezwijken.” Dus in de Griekse Oudheid was men zich er al van bewust dat een totale acceptatie van het lot onverteerbaar is. En dit geldt zelfs voor de helden uit onze verbeelding. 

In de Christelijke omgangsvorm met de dood is er geen heroïsche affirmatie van het noodlot. Doordat de ontvouwing van de werkelijkheid gaat volgens God zijn plan, moet de mens het lot deemoedig accepteren. Je moet op een nederige wijze het lot ondergaan omdat het het plan is van het wezen dat verantwoordelijk is voor het bestaan, het komen en het gaan van de dingen. Door nederig de loop der gebeurtenissen te ondergaan en te leven volgens de Christelijk ethiek, kan de mens eeuwige rust vinden in het hiernamaals. Dat is een gedachte die ons allen troost; dat is een gedachte die bij ons allen wel eens door het hoofd is gegaan. Naast de Christelijke ethiek is er nog een belangrijke consequentie voor het menselijk handelen. Namelijk, de eindige mens heeft niet de capaciteiten van de almachtige en voorzienige God. Hierom kan de mens niet ingrijpen in het verloop van de dingen. De mens is beperkt en moet zijn beperktheid accepteren. 

Door het ontstaan van het natuurwetenschappelijke wereldbeeld en nieuwe technologische innovaties veranderde de mens zijn houding tegenover zichzelf, de ander en de natuur. Langzamerhand ontstaat er een mechanistisch wereldbeeld. Met de wetenschap in de hand begint de mens te pretenderen dat hij de universele, overal en altijd geldende wetmatigheden kan gaan kennen die onze werkelijkheid sturen. Door het kennen van deze wetmatigheden ontstaat er een maakbaarheidsgeloof. De kennis over de loop der gebeurtenissen geeft ons de mogelijkheid om in te grijpen in diezelfde gang van zaken. Het universum werkt als een rationele machine en toevallig is onze ratio datgene dat daar exacte kennis van kan vergaren. Waar er in het Christendom nog een God verantwoordelijk werd gehouden voor het bestaan van de machine, en God de enige was die voorzienig kon zijn, verdwijnt God van het toneel en gaat de mens op zijn troon zitten. Vanaf nu hebben wij de voorzienigheid door middel van de wetenschap. In ieder geval is dat de pretentie. 

Net zoals verscheidene rampen in de wereldgeschiedenis de Westerse mens uit de dogmatische sluimer van het Christendom heeft gehaald, halen verschillende maatschappelijke en ecologische rampen ons uit het dogma dat de wetenschap en de techniek ons naar een heilstaat zullen brengen. De politieke technologieën die Auschwitz mogelijk maakten waren subliem in hun efficiëntie en de hedendaagse klimaatproblematiek geeft ons geen perspectief op een communistische heilstaat in de toekomst. Hierom meent De Mul dat we een wedergeboorte zien van een soort tragisch bewustzijn. Een wedergeboorte van de tragiek uit de geest van de techniek, dat is waar we nu getuigen van zijn. De techniek kent zijn beperkingen en het zijn die beperkingen die ons bewust maken van onze grenzen. De troon waar eerst God op heeft gezeten en daarna de wetenschapper, wordt nu bezet door de leegte. We weten niet waarom we hier zijn, we weten niet waarom we moeten sterven, we weten alleen dat we hier zijn en dat er een einde is. Bij de geboorte krijgt ieder mens een kaartje voor dezelfde reis. De dood kunnen we uitstellen maar niet opheffen. 

Omgaan met de dood 

Aan het begin van dit stuk heb ik het moment gedeeld dat ik me bewust werd van de dood. Dit artikel is een getuigenis van hoe ik de dood heb proberen te doordenken. We hebben vier omgangsvormen gezien. Ik herhaal: de heroïsche affirmatie, de deemoedige acceptatie, de afschaffing van het noodlot en de wedergeboorte van de tragedie. Iedere omgangsvorm komt voort uit een cultuur waarin er een zekere interpretatie was van het noodlot. Deze interpretatie bepaalde wat een rationele omgangsvorm is met de dood. Als alles verloopt volgens God’s plan dan is het accepteren van zijn wil een rationele omgangsvorm. Anderzijds, als er geen God is en de mens zelf de toekomst kan voorspellen aan de hand van de wetenschap, dan is het strikt volgen van de wetenschap wat rationeel is. Kortom, een goede omgangsvorm met de dood heeft te maken met hoe je naar het menselijke kennen en kunnen kijkt. Kan de mens zo ingrijpen in de werkelijkheid dat het noodlot voorkomen kan worden of is de mens een beperkt dier dat vrede moet leren te nemen met zijn beperkingen? 

Volgens De Mul hebben steeds meer filosofen twijfels over de voorspellende kracht van het menselijke kennen. Verschillende sociale- en natuurwetenschappelijke technieken geven modellen van mens en de natuur, maar die modellen geven geen zekerheid. Het moderne ideaal wordt van lieverlee opgegeven. De kennis kent zijn beperkingen en zo ook de techniek. Uit de geest van de techniek, ontstaat een nieuw tragisch wereldbesef. Onze goede bedoelingen monden uit in tragedies omdat we niet alle gevolgen van onze handelingen kunnen overzien. De mens is geen God. De mens is niet voorzienig. Hier worden we ons steeds meer van bewust. Waar de mogelijkheden van de techniek oneindig leken, blijkt de techniek die de mens heeft ontwikkeld net zo beperkt als de mens zelf. Maar wat heeft dit te maken met de dood? 

De dood is waar het voor ons stopt. We kunnen in ons leven niet alles voorspellen, noch kunnen we alles maar op z’n loop laten gaan. We zitten nu eenmaal samen hier op de wereld, we komen elkaar wel eens tegen en verlaten elkaar weer. Het bewustzijn dat we allen sterfelijke mensen zijn is misschien wel datgene dat ons kan helpen met het sterven zelf doordat we zo in het leven waardevollere beslissingen kunnen nemen. De dood biedt zo perspectief; de dood zet dingen in perspectief. Het is iets dat ons overkomt, maar juist daardoor iets dat ons helpt te begrijpen dat veel dingen ons in het leven gewoonweg overkomen. De moderne belofte dat we als mensen alles kunnen controleren wordt zo altijd gecorrigeerd door onze sterfelijkheid.